De geschiedenis van Schellinkhout, periode 1551 - 1600.

De tijdlijn van Schellinkhout van 1551 tot en met 1600.

1553
De twee burgemeesters van Schellinkhout, IJsbrant Reijnersz. en Jan Jansz. Pill, stellen een stoelbrief vast voor de mient Hop wech of Hopperweg (ook wel: miente, mienskar, miensker, mienskeer, mienskaer, woimers). De mient wordt gevormd door gemeene gronden, dus gemeenschappelijke grond. Het betreft laag gelegen grond met een slechte afwatering.
 Stoel brieff van die Hop wech.

Verstoeling van de gemeene grond is in West-Friesland een gangbare term voor de periodieke herverdeling van het gemeenschappelijke land. Het verdelen van gemeenschappelijke (in dit geval) weidegronden (het toewijzen van een aandeel aan elke rechthebbende) wordt ook scharen, scheren, skere, stoele(n), skrode of schroden genoemd. Het stuk grond in de gemeenschappelijke weide, dat aan de rechthebbende wordt toegewezen heet scharing, skering, schaar of skeer.
Het aandeel in de gemeenschappelijke weide geeft recht om één of meer koeien op de gemeene gronden te laten grazen. Het recht om koeien in de gemeene weide te drijven wordt skeer, skering, koeschaar of koeskeer genoemd. Het verdelen van de gemeene weide betekent dus het bepalen van het aantal koeien, dat men er per persoon mag weiden.
Op de miente van de Hopperwegger landen (anno 2006: de Opperweg) rust een deel van het onderhoud van de Blokdijk, berekend naar 22 voet (onderhoud) per morgen land, die de eigenaar in bezit heeft. Een ander deel van het onderhoud van de Blokdijk rust op de miente Wijmers (zie 1555).
Met de oppervlaktemaat morgen wordt een stuk land aangeduid dat ongeveer in één ochtend of morgen kan worden geploegd. De precieze grootte van een morgen is echter streekgebonden. De Rijnlandse morgen bedraagt 0,85 hectare en wordt onderverdeeld in 6 hont. Eén hont is 1419 vierkante meter of 100 Rijnlandse roeden.
De roede is een oude lengte- en een oude oppervlaktemaat, die van plaats tot plaats een verschillende maat heeft. Bij de oppervlaktemaat wordt ook wel gesproken van een vierkante roede. De Rijnlandse roede als lengtemaat bedraagt 12 voet of 3,767 meter. De Rijnlandse roede als oppervlaktemaat is 14,19 vierkante meter.
In de slotwoorden van de stoelbrief van de Hop wech staat vermeld:
ende dan blijfter bij die Blocdijc tien roede ende een verndell myene wechs. Op wie de zorg voor dit deel myene wechs rust, is niet meer na te gaan.

1555
De twee burgemeesters van Schellinkhout, IJsbrant Reijnersz. en Jan Jansz. Pill, stellen een stoelbrief vast voor de mient Wijmerts (het gemeenschappelijk land Wijmers). In deze stoelbrief worden simpelweg de stukken grond genoemd, die er ter verdeling zijn. De namen van de in deze stoelbrief genoemde landerijen wijzen in de meeste gevallen kennelijk op de rechthebbenden (of ter herinnering aan vroegere landgebruikers), die vóór of vanaf 1555 rechten hebben gehad op de grond in deze gemeene weide.
     

Naast de in gebruik zijnde gemene weidegrond is er ook een stuk mient, dat niet wordt verstoeld. Dat staat te lezen in de slotwoorden van de stoelbrief:
Ende soe blijft daer XI ½ roed Miente Wijmerts van die bocht off noertwaerts.
Op de miente Wijmers rust het onderhoud van een deel van de Blokdijk. Voor elke morgen grond die de grondeigenaar bezit dient hij 22 voet van de Blokdijk te onderhouden, te beginnen aan de zijde van het gehucht Blokdijk. Het onderhoud van een ander aansluitend deel van de Blokdijk rust op de gebruikers van gronden in de miente Hopperweg (zie stoelbrief Hopperweg 1553).
Het noordelijk gedeelte van de Woimers of Wijmers (de Noorderwijmers) behoort voor 3/7 bij Wijdenes en voor 4/7 bij Schellinkhout. Het zuidelijke deel (de Zuiderwijmers en de Nanningweer) hoort bij Schellinkhout. De indeling van de percelen land van de mient(e) Wijmers kennen we uit deze stoelbrief van 1555 nauwkeurig. Het overgrote deel is verstoeld. Slechts een klein deel, 11 ½ roede is niet verstoeld.
Zowel in de stoelbrief van 1553 als die van 1555 wordt ook het onderhoud van de weg genoemd, doch slechts als bijzaak. Hoofdzaak is het onderhoud van de Blokdijk (zie 1553).

1556
Als gevolg van de zeer droge zomer is er een groot gebrek aan onder andere graan.

1558
Aantal huizen in Schellinkhout: 158. Bij deze huiseigenaren zijn 20 "scamele" mannen en vrouwen (leven van de bedeling).
Aantal inwoners ca. 885.

De pastoor heet mr. Gerrit.

1562
Aantal huizen in Schellinkhout: 139
De schout is genaamd Jan Adriaansz. Luit. Hij pacht tevens het bode-ambacht.
(In 1572 wordt deze schout vermoord door de watergeuzen.)

De waard of herbergier heet Meynert Elbertsz.

Akte van 30 juni: Burgemeesters, schepenen en raden van Schellinchout oorkonden dat zij voor 225 gulden van 40 groten Vlaams aan Anna Lubbertsdr. uit Amsterdam, een lijfrente hebben verkocht van 27 guldens. Het geld zal worden gebruikt om een deel van een losrente van 350 guldens af te lossen (1 pond Vlaams = ca. 2,75 euro).

Er heerst weer een pestepidemie en als gevolg van de erg natte zomer bederft veel te veld staand hooi.

Akte van 19 augustus: Willem Tijsz., Pieter Jansz., Cornelis Pietersz., Willem Meijnertsz., Pieter Jacobsz. en Pieter Sijbrantsz., schepenen van Schellinchout, oorkonden dat Claes Jansz. en Jan Pietersz., burgemeesters van Schellinchout, drie lijfrenten hebben verkocht:
1: van 27 guldens aan Anna Lubbertsdr. uit Amsterdam, voor 225 guldens van 40 groten Vlaams; (1 pond Vlaams = ca. 2,75 euro).
2: van 15 guldens aan ene Albarta uit Amsterdam, voor 125 guldens;
3: van 18 guldens en 15 stuivers aan Sijberich Pietersdr. uit Hoobreed, voor 150 guldens.
De eerste twee renten zijn verkocht ten behoeve van aflossing van een rente van 350 guldens aan Rijn de Verwer uit Hoorn, de derde ten behoeve van aflossing van een rente van 150 guldens aan Neel Nannincxs. uit Hoorn.
Voorzien van zegels van de poorters Ysbrant Reynersz. en Jan Melisz., zegelend op verzoek van de schepenen. Beide zegels zijn beschadigd.

De vroedschap heeft zich ontwikkeld uit de groep van 32 rijksten. De vroedschap wordt in dit jaar pas voor het eerst genoemd, namelijk in twee lijfrentebrieven (zie 1668). Burgemeesters en schepenen zijn ook lid van de vroedschap.

1564-1565
Een uiterst strenge winter.

1565
Er is honger en armoede als gevolg van de belemmerde graanaanvoer uit de Oostzee wegens moeilijkheden aan de Sont. Een brood kost vijf stuivers en dat is erg duur. Honderd pond "soetemelcxcase" kost 4 gulden en 10 stuivers.

1565-1566
Sterke waardevermindering van het geld ten gevolge van vergrote zilverinvoer uit Amerika.

1567
2 maart: Het keurboek van Schellinkhout wordt geschreven door Jan Cornelissen van Warmenhuysen, anders genoempt Jan Speck, priester, schoolmeester ende coster tot Updam.
In het keurboek staat de eed van de burgemeesters opgenomen:
"Wij gekozen burgemeesters van de stede Schellinkhout beloven het aanstaande jaar burgemeester te wezen, tenzij wij buitenlands zijn of overlijden, de mientewegen (gemeenschappelijke wegen) te verhuren,
de dorpsinkomsten te ontvangen, het geld tot nut van het dorp te besteden, de sluizen en de sluistochten goed schoon te houden, de watermolens en alles wat daarbij hoort in orde te houden, weduwen en wezen,
die ons dat verzoeken, rechtvaardig te helpen en verder alles te doen, wat getrouwe burgemeesters behoren te doen en dat alles naar ons beste verstand, zo waarlijk helpe ons god almachtig."

In het nieuwe keurboek staat:"Soo wie meest in een landt bruijcket, daer sal d'inslach, ettinghe en d'uijtslach aenstaen, ende datter redelijcheijt".
Dit betekent, dat als er meerdere eigenaars of gebruikers van een perceel land zijn, de eigenaar of de gebruiker van het grootste deel kan beslissen wat er gebeurt.
Bijvoorbeeld: wanneer wordt het vee in de weide gebracht, hoe lang wordt er beweid en wanneer wordt er gehooid?
Daarbij moet hij het wel redelijk houden.

Akte van 27 februari: Jan Pietersz., organist en Jan Jansz. van Neck de jonger, schepenen van Hoorn, oorkonden dat Marij Florisdr. een losrente van 5,5 gulden van 40 groten Vlaams heeft verkocht aan Cathrijn Jan Rustenburchsweduwe. De rente is ten laste van de kerk van Schellinchout (1 pond Vlaams = ca. 2,75 euro).

Begin 80-jarige oorlog (1568 - 1648).
De Graaf van Megen, die aan de Spaanse kant staat, landt met zijn leger in Schellinkhout, vanwaar hij de achtervolging inzet op 2400 man troepen van de Heer van Brederode.
Van Brederode had deze troepen afgedankt in Amsterdam en dat leger probeert in Hoorn schepen en buskruit te krijgen om weg te komen.
De Graaf van Megen sluit echter de haven van Hoorn af. De afgedankte troepen vluchten dan naar Medemblik, achtervolgd door Van Brederode.
Het merendeel van de achtervolgden weet Medemblik over land te bereiken en via zee naar Emden te ontkomen. Emden is een belangrijke wijkplaats voor diegenen die om het (RK) geloof worden vervolgd.

1569
Jan Pietersz. Schuytemacker krijgt als scheepstimmerman de opdracht een schip te bouwen.

1570
1 november: De tweede Allerheiligenvloed (zie 1170). Grote overstroming omdat bijna langs de hele Zuiderzeekust de dijken doorbreken. Ook de Westfriese Omringdijk bij Medemblik.
"Achter Widernesse slaat het onbeboschte land tot aan den rand van het Schellinc-woud weg en verdwijnt in het Almere".

1571
In de dan nog Katholieke kerk staat een sacramenthuisje, dat is vervaardigd door mr. Coen uit Amsterdam (zie 1576).

De scheepstimmerman mr. Dirk Sybrantsz. Schuytemacker levert drie schepen af:
één voor f 50,- aan IJske Johannes te Workum.
één voor f 94,- aan Jan Pietersz van Workum.
één voor f 92,- aan Freeck Pietersz. Koomen uit Bovenkarspel.

1572
De graanschepen uit de Oostzee blijven weg en omdat de winter nadert hangt er een hongersnood in de lucht. Door de Prins van Oranje worden voor deze gelegenheid verschillende keuren afgekondigd. Zo mag er geen koren worden uitgevoerd of in prijs worden verhoogd. De korenschippers die nog laat in het seizoen in de Oostzee verblijven kunnen geen zekerheid krijgen hoe het weer in onze omgeving is en besluiten om in Oostland (Polen) te overwinteren. Door de penibele situatie thuis besluiten enkele schippers toch nog voor de winter de reis naar huis te aanvaarden. Dit moedige voorbeeld om storm en koude te trotseren wordt door anderen gevolgd. Men komt behouden in Holland aan, maar terwijl de schepen begin december het Marsdiep binnenvaren begint het erg streng te vriezen. Alle binnenwateren, maar ook de zee is in korte tijd met en dikke laag ijs bedekt. Men kan er zelfs met paardenwagen overheen rijden. Hierdoor worden de schepen van Hoorn gedwongen om in Medemblik en Enkhuizen binnen te lopen, zodat het koren met wagens en ijssleden naar de thuishaven moet worden gebracht. In plaats van armoede ontstaat er grote overvloed aan koren.

De scheepstimmerman mr. Dirk Sybrantsz. Schuytemacker levert een schip van f 160,- aan Broer Sipkes uit Stavoren.

Scheepstimmerman Claas Claasz. Schuytemacker maakt voor f 130,- een schip voor Dirk Albertsz. uit Stavoren.

Reformatie.
Alles wat met de Katholieke kerk te maken heeft wordt uit het dorp verdreven. Later verschijnt er een schuilkerkje in het Noordend. Vanaf 1735 gaan de Katholieken in Westerblokker ter kerke. De kerksieraden verhuizen daar dan ook naartoe.

 
Het schuilkerkje (gesloopt 1917). Op de plaats waar het schuilkerkje heeft gestaan wordt in 2003 een nieuwe woning gebouwd (zie bovenstaande foto).

29 januari: De schout van Schellinkhout, Jan Adriaansz. Luit, is één van de opvarenden van een Hoorns veerschip, dat wordt gekaapt door de watergeuzen. Voor Jan Luit wordt f 1400,- losgeld gevraagd.
Nadat het geld aan de watergeuzen is overhandigd, slaan ze Luit alsnog dood.

Enkhuizen verklaart zich vóór Willem van Oranje. Diederik Sonoy (1529-1597) wordt burgemeester van Enkhuizen en hij krijgt in dit zelfde jaar de leiding over heel West-Friesland. Hij is de leider van de Watergeuzen in Noord-Holland.
6 juni: De kerkmeesters en burgemeester van Schellinkhout krijgen een brief van Diederik Sonoy, gouverneur der Stad Enkhuizen voor de Prins van Oranje. De brief kent de volgende inhoud:
Alle juwelen en andere kostbaarheden, zowel van goud als zilver, moeten uit de kerk gehaald en goed verborgen worden, zodat de vijand (de Spaanse overheerser) ze niet kan inpikken.

Didrik Sonoy, "gouverneur van Noordt Hollandt", leider van de geuzen in Noord-Holland. Gravure door B. Picart (1673-1733).
F. Muller: Beschrijvende catalogus van 7000 portretten van Nederlanders en van buitenlanders, tot Nederland in betrekking staande. Uitgave Amsterdam 1853. Nr. 5021. Provinciale Atlas.

Oktober: Sonoy's hopman Focabel wordt met een aantal mannen ingekwartierd in Schellinkhout. Op een dag nemen zij een ladder en slaan enkele vensters van de kerk stuk en klimmen aan de noordkant de kerk binnen.
Ze breken de met drie sloten beveiligde stedekist open, waaruit zij waardevolle papieren halen, zoals privileges en andere bezegelde brieven (in feite het toenmalige archief). Ze verscheuren en verstrooien de papieren (zie 1578).

1573
 Detail van een kaart van Christiaan Sgroten.
Opvallend zijn de twee gebouwen die bij Schellinkhout zijn ingetekend, conform de tekeningen bij Swaech (Zwaag). Duidt dit op een kerk en een kapel? Verder staat er een onbekend object ingetekend op de punt van De Neck. Een dergelijk object komt verder niet op deze kaart voor.


Detail van een kaart die is vervaardigd door D. Delcroix naar Christiaan Sgroten (Sgrotenkopie, datering object: circa 1860), kaartbeeld 1573.
Scheltema schrijft deze kaart overigens toe aan Van Deventer. Op deze kaart staat bij Schellinkhout, in tegenstelling tot de andere kaart, slechts één gebouw ingetekend.

Van 1414 tot 1795 is de bestuurlijke en rechterlijke indeling van West-Friesland nauwelijks veranderd. De samenstelling van vroedschappen en schepenbanken verandert echter wel. Dit komt door de bevoorrechte positie van de gereformeerde kerk sinds het begin van de Opstand of "Tachtigjarige Oorlog". Hoewel slechts een kleine minderheid van de bevolking het nieuwe geloof is toegedaan, gaan alle kerkgebouwen al in 1573 in gereformeerde handen over. Katholieke erediensten worden officieel verboden. Ondanks deze drastische maatregelen wil het met de verspreiding van het protestantisme in West-Friesland niet erg vlotten. En dat is zeer tegen de zin van de overheid. De schouten krijgen daarom opdracht om nog strenger op te treden tegen de "ondergronds" opererende kerk van Rome.
Vanaf 1620 worden steeds vaker "anti-paapse" verordeningen vastgesteld. Op veel West-Friese kerkhoven zijn kruisen, in gereformeerde ogen een symbool van katholiek bijgeloof, voortaan uit den boze. Ook de voorloper van het hedendaagse carnaval wordt aangepakt. Het wordt verboden om zich op vastenavond te vermommen of langs de huizen te gaan om "eieren, worst, vleesch of andere dingen". Toch zijn er nog veel plaatsen waar nog katholieken in het bestuur zitten. Schellinkhout heeft in 1590 nog een katholieke secretaris. In 1610 is ene Hendrik Kloek schout van zowel Schellinkhout als van Wijdenes en Oosterleek. Ook hij is katholiek! Vanwege zijn geloof wordt zijn benoeming in 1622 niet langer verlengd (zie 1605).
In de steden Hem en Venhuizen, Schellinkhout en Wijdenes en Oosterleek wordt in 1644 een gereformeerd monopolie ingesteld. Blijkens lijsten wordt ongeveer de helft van de vroedschappen vervangen.
In 1654 volgt zelfs een algemene wet voor heel Holland en West-Friesland: alleen gereformeerden mogen nog openbare functies bekleden.

11 oktober:
De slag op de Zuiderzee bij "de Nek" in Schellinkhout.

Eerst een stukje geschiedenis en dan een gedetailleerd verslag van de strijd van de "Slag op de Zuiderzee".
Holland en Zeeland komen in het voorjaar van 1572 eigenlijk onverwacht in opstand tegen hun landsheer, de koning van Spanje. Het is in deze gewesten in voorgaande jaren betrekkelijk rustig geweest en daardoor heeft de hertog van Alva, bevelhebber en landvoogd Ferdinand Alvarez de Toledo, (d.i. de hoogste vertegenwoordiger van koning Philips II in de Nederlanden) het noorden militair verwaarloosd. Hij concentreert zich meer op het zuiden waar de legers van Lodewijk van Nassau en Willem van Oranje enige dreiging uitoefenen.

De militaire situatie in 1572-1573 is als volgt:
De watergeuzen hebben in Engeland de beschikking over een aantal havens die ze min of meer als hun vaste bases beschouwen. Tot in februari-maart 1572 deze Engelse havens om politieke en economische redenen voor hen gesloten worden. Sindsdien varen zij zonder thuishaven over de Noordzee. Door een zware storm raken hun schepen op 1 april 1572 bij Den Briel aan land. Het Hollandse havenstadje, waar op dat moment geen Spaans garnizoen gelegerd is, wordt zonder enige moeite door de watergeuzen ingenomen. Na de inname van Brielle doet Maximiliaan de Hennin, graaf van Bossu, de in 1567 door Philips II benoemde stadhouder van Holland, Utrecht en Zeeland, onmiddellijk een poging om Brielle te heroveren, maar dat mislukt. Bossu trekt daarom naar Rotterdam en beveelt zijn soldaten zich met geweld van die stad te verzekeren. Ongeveer honderd burgers komen daarbij om, reden waarom deze gebeurtenis als "de Rotterdamse moord" bekend staat.
De verovering van Brielle heeft gevolgen. In de havensteden Vlissingen en Enkhuizen zijn door de slechte sociaal- economische omstandigheden spanningen opgetreden, vooral onder vissers en schippers. In beide steden lukt het (medestanders van) de geuzen om ontevreden burgers op te zetten tegen de regeringsgetrouwe magistraat. Als het centrale landsbestuur van Brussel in de steden Spaanse garnizoenen wil gaan legeren barst de bom. Verscheidene stadsbestuurders worden door de opstandelingen tot aftreden gedwongen en de geuzen worden binnen de poorten gelaten. In Vlissingen al op 22 april en in Enkhuizen op 21 mei, binnen enkele weken gevolgd door de andere West-Friese en de Waterlandse steden. Dordrecht haalt op 25 juni de geuzen binnen haar poorten, zodat in juli 1572 in Dordrecht de eerste vrije statenvergadering kan plaats vinden. Er wordt een basis gelegd voor een staatkundige structuur voor het opstandige Holland. Er wordt begonnen met een militaire organisatie, een financiële opzet gemaakt en een buitenlands beleid uitgestippeld.
Diederick Sonoy, sedert 2 juni 1572 luitenant-gouverneur van Oranje voor het noordelijk deel van Holland (het Noorderkwartier), werft troepen en krijgt geld van de Staten van Noord-Holland voor de uitrusting van een vloot. Sonoy laat in de herfst van 1572 een aantal schansen (militaire versterkingen) in Waterland aanleggen en de Waterlandse dijk bezetten.
Met de inname van Brielle, Vlissingen, Enkhuizen en Dordrecht blokkeren de geuzen de mondingen van de Schelde, de Rijn, Maas en de Zuiderzee.

Lodewijk van Nassau en Willem van Oranje passen door de onverwachte gebeurtenissen hun aanvalsplannen aan. Lodewijk trekt in mei 1572 met een leger de zuidelijke Nederlanden binnen en bezet Bergen in Henegouwen. Willem komt vanuit het oosten Nederland binnen en bezet Roermond, vanwaar hij verder trekt naar Brabant. Zijn zwager, Willem van den Berg, doet een inval in de Achterhoek, de Veluwe en in Salland waar hij de meeste steden voor de opstand weet te winnen. In Holland en Zeeland veroveren de geuzen de ene na de andere stad, maar Amsterdam en Middelburg kunnen ze niet bemachtigen. Benoorden het IJ heeft zich dus een eigen mogendheidje gevormd, dat trouw is aan de Prins van Oranje.

De Spanjaarden hebben het best getrainde en uitgeruste leger van Europa, maar geen marine. En de Watergeuzen opereren nu eenmaal vanuit een maritieme visie. Door de genoemde blokkade door de geuzen krijgt Alva, die in Amsterdam zit, het aardig benauwd, vooral financieel. Dat is erg, want door de slechte betaling daalt de slagkracht van zijn leger. Noord-Holland boven het IJ daarentegen profiteert van de vrije zee en de handel bloeit op. Er komt zelfs een bestuurlijke organisatie, "de Staten van Noord-Holland en West-Friesland", die zich tot 1795 zal handhaven. In oktober doet Amsterdam een poging om de staatsen (=geuzen) bij Nieuwendam te overrompelen, maar de aanval wordt afgeslagen. Daarop wordt een deel van de staatse vloot, die bij Pampus ligt, naar de monding van het IJ verlegd. Bovendien hebben de geuzen enkele oude schepen tot zinken gebracht, waardoor Amsterdam helemaal van de zeezijde wordt afgesloten.
In de maanden september en oktober van 1573 wil Alva genoemd "mogenheidje" benoorden het IJ in de tang nemen. Over land vindt de opmars naar Alkmaar plaats en langs de Zuiderzeekust vaart de vloot onder leiding van de Graaf van Bossu, door Philips II als stadhouder over Holland en Zeeland aangesteld. Deze campagne moet eindigen met de verovering van Enkhuizen en daarmee de bevrijding van de stad Amsterdam uit zijn blokkade.

Alva begint het tegenoffensief in de zuidelijke Nederlanden. Het omsingelde Bergen (in Henegouwen) moet zich op 21 september overgeven. Een maand later verdrijft Alva het leger van Willem van Oranje uit Brabant. Nu gaat Alva zich richten op het herstel van de orde en de bestraffing van de opstandelingen in de noordelijke gewesten. Een grote legermacht onder leiding van zijn zoon Don Fadrique trekt vanuit het zuiden naar Gelre en vervolgens westwaarts richting Holland. De steden Mechelen en Zutphen worden zwaar gestraft. Alle steden van Gelre en Overijssel worden door Don Fadrique heroverd. Hierna begint hij aan de verovering van de Hollandse steden. Naarden wordt geplunderd en half december wordt Haarlem omsingeld en bestormd, maar Haarlem houdt voorlopig stand. Het Spaansgezinde Amsterdam, dat een vluchthaven en centrum van Spaansgezinde Hollanders is geworden, beschouwt Don Fadrique als een bevrijder.

Op 13 juli 1573 valt Haarlem in Spaanse handen. Door de val van Haarlem worden het noordelijk en het zuidelijk deel van Holland van elkaar gescheiden. Alva is er op dat moment zeker van dat hij de opstand nu spoedig kan onderdrukken, als er maar genoeg geld is om de troepen te betalen. Spoedig echter ontstaat er een hevige muiterij onder de Spaanse soldaten die in Haarlen zijn gelegerd. Zij eisen hun achterstallige soldij. Op 8 augustus komt Alva zelf naar Haarlem, waar hij het nodige geld voor de muitende troepen loskrijgt.
Het juiste profijt weten de Spanjaarden echter uit de verovering van Haarlem niet te trekken. De strijd om Alkmaar wordt in modder en muiterij door de Spanjaarden verloren en Alkmaar wordt ontzet: 8 oktober 1573.

Alva is zich ervan bewust dat de geuzen met de beheersing van de zee een belangrijke troef in handen hebben voor de verdediging van het Noorderkwartier. Zowel de schepen, die de geuzen in de monding van het IJ tot zinken hebben gebracht, als hun goed bemande schans nabij Schellingwoude zijn hem een doorn in het oog.
De vloottocht over de Zuiderzee van de Spanjaarden is een grote onderneming. Ze varen met grote schepen, zwaar bewapend en met volop ammunitie en met een landingsleger aan boord. Het zal de eerste zeeslag van formaat worden. De geuzen zijn gevreesd vanwege hun katachtige lenigheid, waarmee zij vijandelijke schepen enteren, beklimmen en veroveren. Een roekeloze strijdwijze die meer bloed dan kruit kost. En dat laatste hebben de Hollanders nu eenmaal niet. De zeeslag op de Zuiderzee zal zich gaan toespitsen op het duel tussen de twee admiraals, Bossu en Cornelis Dirksz (burgemeester van Monnickendam) en hun schepen "de Inquisitie" en "de Eendracht".
De staatsen of geuzen zijn enigszins ontmoedigd door de val van Haarlem en wachten in spanning af wat er gaat komen. Zullen ze de opstand nog kunnen redden?

Een gedetailleerd chronologisch verslag van de slag op de Zuiderzee bij Schellinkhout.
Op 25 augustus 1573 valt overste Van Tambergen, luitenant van Bossu, met zijn troepen Waterland binnen en verovert de dorpen Zuiderwoude, Zunderdorp, Broek in Waterland en de schans te Landsmeer. De staatse schansen bij Schellingwoude, Durgerdam en Ransdorp raken hierdoor volledig geïsoleerd, omdat het gebied tussen Zaandam en Nieuwendam in handen is gevallen van de Spanjaarden. Bevoorrading van de schansen kan alleen nog over zee.
Bossu is intussen in Amsterdam begonnen met de toerusting van oorlogsschepen om zich van de Zuiderzee meester te maken. De verschillende geschiedschrijvers zijn het er niet over eens hoeveel schepen Bossu gereed maakt. Het aantal varieert van 12 grote en 6 kleine oorlogsboten of -jachten (Bor) tot 30 schepen (Van Meteren en Hooft). Velius spreekt weer over 18 schepen. Spaansgezinde geschiedschrijvers, Van Meerbeeck en Bentivoglio, komen niet verder dan 12 schepen. Zij hebben vermoedelijk de 6 kleinere jachten niet meegeteld. Het Spaanse admiraalschip "De Inquisitie" (volgens Bor aanvankelijk "Sinte Pouwels" genoemd) is een groot en nieuw schip met 32 kanonnen aan boord en voorzien van een zogenaamde dubbeling van kiel en scheepshuid. Behalve de bootsgezellen worden er 200 soldaten, het merendeel Spanjaarden onder de kapiteins Alonso de Corquera en Ferdinando Lopez, op "de Inquisitie" geplaatst.
De Enkhuizer P.P. Kock schrijft in zijn dichtwerk:
In October drie, t'Jaer tseventich drie men telden,
Ginck Duc d'Alva met vlijt, d'Inquisity toe-rusten,
Dit schip wert so ghenaemt, tot teyken vande gelden,
En lijf, leven van ons te nemen nae sijn lusten;
De datum in dit gedicht is overigens onjuist.

Op 12 september gaan Bossu en de andere gezagvoerders met een gevolg van edelen aan boord van de schepen en vertrekken uit Amsterdam. Het lukt de vloot echter niet over de wrakken in de monding van het IJ te komen. Dat lukt pas de volgende dag als de wind gunstiger en het tij hoger is. De staatse vloot, die bij de Schellingwouder schans ligt, neemt daarop de wijk naar het Pampus. Ze heeft nooit verwacht dat de doorvaart mogelijk zou zijn. Het vermoeden rijst dat een storm in augustus de wrakken van hun plaats heeft gedreven.
Op 14 september wordt de Schellingwouder schans door de Spaanse schepen, met aan boord de samenwerkende Spanjaarden en Amsterdammers, (want Amsterdam staat immers aan de zijde van Alva) beschoten. Van de landzijde wordt de Schellingwouder schans bestormd door de in Waterland gelegen Spaanse troepen. Kapitein Broeckhuysen en zijn troepen proberen tevergeefs de schans te verdedigen en moeten naar Monnickendam vluchten. Ook de andere schansen moeten worden opgegeven, zodat Bossu die dag bijna de hele Waterlandse dijk in handen krijgt. De schrik zit er goed in bij de staatsen (geuzen). Toch geven ze de moed niet op, immers de vloot is nog steeds behouden. In zeer korte tijd laten de Staten van het Noorderkwartier nog enige schepen toerusten, die zich bij de geuzenvloot op het Pampus voegen. De geuzen krijgen daardoor de beschikking over in totaal 24 schepen, die ze echter niet van voldoende geschut en kruit kunnen voorzien, vooral omdat er veel kanonnen in de schansen in Waterland moeten worden achtergelaten. Om het aantal manschappen op de schepen te vergroten gaat kapitein Nicolaes Ruychaever met een vendel soldaten aan boord van het staatse admiraalschip.
De geschiedschrijver Bentivoglio schat de staatse vloot hoog in:
De Vijanden (....) verzorgden zich ook van hun zijde van groter voorraat van schepen, en verhoopten, door de meerderheit van 't getal, ook eindelijk de verwinning te bekomen.(....) dat hun getal dat van de Spanjaarden zo verre overtrof, dat men, in plaats van een schip onder de koningschen, veel onder de vijanden kon tellen.
De Spanjaarden drijven de spot met de gebrekkige bewapening van hun tegenstander. Ze beweren dat de staatsen (= geuzen) houten geschilderde kanonnen of pompen op hun schepen voeren. Bossu verwacht dan ook weinig of geen tegenstand van een volk dat voor het merendeel uit boeren of eenvoudige burgers bestaat.
De geschiedschrijver Kock verwoordt deze onderschatting als volgt:
Sy achten ons seer cleyn, seyden, niets is haer macht,
Van hout is haer geschut, haer schepen slechte fusten,
Dan een van ons borgers sprac t'Amsterdam bedacht,
Ghy mannen vinden sult, wel op u saken acht:
Hy wert om dat woort door-steken, is doot ghebleven.
De laatste drie regels gaan over de woorden die een Noordhollander spreekt op het moment dat de armada van de Spanjaarden uit Amsterdam vertrekt om de Geuzen van de Zuiderzee te verjagen: "Gij zult mannen ontmoeten". De man wordt terplaatse doodgestoken.
Op 15 september gaat Bossu aan land om de veroverde schansen te bezichtigen. Verder zendt hij kolonel Françisco Verdugo naar Alva in Amsterdam om deze van de situatie op de hoogte te brengen en om diens advies te verkrijgen over de manier waarop de Waterlandse dijk en de schansen het beste kunnen worden bemand. Daarmee zijn twee tot drie dagen gemoeid en inmiddels is het stormachtig weer geworden en kunnen de Spanjaarden niet uitvaren. De staatsen krijgen zo wat meer tijd om hun schepen wat beter uit te rusten.
Op 24 september is Bossu voor overleg met Alva in Amsterdam terug.
Op 3 oktober gaan de Spanjaarden weer scheep. Men wil de volgende dag de Zuiderzee op varen, maar dat gaat niet vanwege de storm. De staatse vloot is intussen over het Pampus gevaren en blijft even voorbij het eiland Marken liggen.
Op 5 oktober, omstreeks 11 uur, gaan de Spaanse schepen eindelijk onder zeil en komen op volle kracht op de staatse vloot af. Van drie uur 's middags tot 's avonds laat wordt er over en weer geschoten.
Op 6 oktober wordt er nog steeds over en weer geschoten. Beide vloten zeilen op elkaar in. De staatsen beschikken over minder zeilvaardige schepen en hebben ook minder geschut en munitie. Ze proberen de Spaanse schepen te enteren en vervolgens het gevecht van man tegen man aan boord voort te zetten. De geuzen doen verscheidene pogingen om bij de tegenstander aan boord te komen, maar geholpen door de sterke wind weten de Spanjaarden de geuzen telkens te ontwijken. Een staatse kapitein, de Enkhuizer Jacob Til, heeft tot drie keer toe een schip aangeklampt waar een zekere Schuylenburch kapitein op is. Til weet uiteindelijk het Spaanse schip te overmeesteren en Schuylenburch en enkele anderen worden als gevangenen naar Hoorn gebracht. De ongeveer 50 overige scheepslieden worden overboord geworpen. Op het schip van Jacob Til vinden twee personen de dood en raken er twintig gewond, waaronder hij zelf. Het schip wordt uiteindelijk weer door de Spanjaarden terugveroverd.
Een andere staatse kapitein, Taems Fredericxsz (Geltsak) van Medemblik, klampt ook een Spaans schip aan, maar kan dit door het geweld van de vijand niet bemachtigen. Er vallen op 6 oktober veel doden aan beide zijden.
Van 7 tot en met 10 oktober liggen beide vloten op geruime afstand van elkaar. De staatse schepen zijn door de wind naar het noorden gedreven en gaan ter hoogte van Hoorn voor anker en wachten op een gunstige wind. De Spanjaarden blijven ten noordoosten van Marken liggen. Intussen gaan de Hoornse schippers Jan Floor en Claes Wybrantsz als commissarissen aan boord van het vlaggeschip van de geuzen. Zij gaan admiraal Cornelis Dircksz van Monnickendam bijstaan, die aan zijn rechterarm gewond is geraakt. Verder zijn genoemde kapitein Nicolaes Ruychaever, zijn vaandrig Renoy, provoost Jochem Nievint en nog 200 man op het admiraalschip.
Op zondag 11 oktober draait de wind en admiraal Dircksz geeft opdracht om de ankers te lichten en naar de Spaanse schepen te varen. Die doen bij het zien van de in beweging gekomen geuzenvloot hetzelfde. Omstreeks het middaguur naderen de vloten elkaar en beginnen zo vreselijk te schieten "dat de gantsche Zee scheen in vier te staen".
Het staatse admiraalschip komt op een gegeven moment met een ruime wind op het schip van Bossu afgestevend. Meteen worden de enterdreggen geworpen en de schepen aan elkaar vastgemaakt. Hoewel het admiraalschip van de staatsen (geuzen) qua geschut en bemanning de mindere is van het Spaanse, heeft het twee grote voordelen. Ten eerste is het hoger, zodat de bemanning vrij gemakkelijk kan overklimmen en het dek van het Spaanse schip kan overzien. En ten tweede blijkt een rond het schip aangebrachte borstwering van oude, stijf in elkaar gestampte netten, een goede bescherming tegen kogels. De "Inquisitie" wordt dan ook nog door drie andere staatse schepen aangeklampt. Volgens de geschiedschrijver Velius komen de kapiteins Pieter Back van Hoorn en Jacob Trijntges van Enkhuizen met hun schepen ieder aan een zijkant en kapitein Boer van Schellinkhout van achteren. Omdat Boer een klein schip heeft en de Spanjaarden met brandende stoffen en andere projectielen gooien moet hij noodgedwongen afhaken. Behalve kapitein Boer is er nog een Schellinkhouter die als kapitein deelneemt aan de strijd, namelijk Pieter Freeksz. Bossu en zijn mannen weren zich dapper tegen de drie aanvallers, al moeten zij toezien dat hun schip met de aangeklampte schepen afdrijft en bij "de Nek" aan de grond raakt. Ook de andere schepen zijn in een gevecht gewikkeld. Sommige klampen aan elkaar vast, maar komen weer los. De Spanjaarden doen alle moeite om niet te worden geënterd. Een schip waarop de spaansgezinde Enkhuizer Willem Vest kapitein is, wordt door de staatsen overmeesterd. Het is echter zo met kogels doorboord dat men nauwelijks de tijd heeft om het geschut en bemanning van boord te krijgen alvorens het zinkt. Daarnaast wordt nog een klein aantal Spaanse schepen de grond ingeboord of overmeesterd. Intussen gaat de bestorming van het schip van Bossu gewoon door. De geuzen werpen potten met ongebluste kalk, buskruit, stenen en andere voorwerpen op de vijand.
De vier schepen blijven de hele nacht aan elkaar geklampt. In de ochtendschemering van de volgende dag (12 oktober) slaagt een zekere Jan Haring uit Hoorn erin in de mast van het Spaanse admiraalschip te klimmen en de vlag daarvan af te halen. Die daad kost hem wel het leven, want als hij weer naar beneden klimt wordt hij vanuit een luik in zijn borst geschoten. Aan staatse kant vallen veel doden en de staatse schepen worden behoorlijk beschadigd, vooral omdat men vaak overmoedig en onvoorzichtig handelt. Het schip van Pieter Back begint te zinken en kan ternauwernood, met de hulp van burgers, pompende naar Hoorn worden gebracht. Maar ook de Spaanse schepen zijn zeer gehavend. De Spanjaarden, die zelf ook een groot aantal doden en gewonden hebben, zien tevens dat hun admiraalschip is ingesloten en dat de vlag erop niet meer wappert. De overige Spaanse schepen vluchten daarop naar Amsterdam. Een aantal werpt hun geschut overboord om makkelijker over het Pampus te kunnen varen. Ook vice-admiraal Boshuysen en Jan Symonsz Rol laten Bossu in de steek.
Veel smeten schut en goed overboort, om de vrachten
Te lichten, en om so beter te moghen vlye,
Maer d'ons besweken niet, by daghen ofte nachten.

Het Spaanse admiraalschip houdt echter nog steeds stand, maar de staatsen hebben het voordeel dat ze regelmatig worden bevoorraad vanaf het vasteland. De bewoners van Wijdenes en Schellinkhout voeren met smakken en andere schepen verse troepen en andere benodigdheden aan, terwijl doden en gewonden worden afgevoerd. Tijdens deze zeeslag zijn de Hoornse burgers druk bezig met het versterken van de zeedijk om hun stad in geval van een nederlaag tegen de Spaanse vijand te beschermen. De strijd om het Spaanse admiraalschip gaat nog door tot even voor de middag. Bossu weet dat er geen hoop meer is op ontzet nu hij met zijn schip aan de grond zit en de andere Spaanse schepen hem alleen hebben gelaten. Hij besluit om zich over te geven aan de staatse oversten Dircksz, Ruychaever en Nievint. Enkele Spaanse soldaten willen echter niets van overgave weten, omdat ze voor hun leven vrezen. Ze dreigen zelfs tot de laatste man te vechten en dan de lont in het kruit te steken. Uiteindelijk wordt er een akkoord gesloten onder de volgende voorwaarden:
Als dat de Grave van Bossu met zijn Familie en Crijchsluyden (...) ghevangen sullen gheven, en verseeckert sal zijn met zijn Familie van den lijven ofte leven met alle de voorschreven Crijchsluyden. En sal de Grave gehouden worden, als eenen gevangenen Grave toebehoort. En aengaende de andere Soldaten (...) sal mede gehandelt werden naer out krijchsgebruyck, den eenen tegens den andere te rantsoenen, so verre het selve eenichsins doenlijc is, waertoe de voornoemde Grave zijn uyterste devoyr sal doen. En indien niet, sullen de selve mogen uytgaen, mits betalende voor haer rantsoen een maent solds.
Dit akkoord wordt door gouverneur Sonoy en de Staten van het Noorderkwartier bekrachtigd. Nog diezelfde dag wordt Bossu met zijn edelen naar Hoorn overgebracht en daar, volgens de geschiedschrijver Velius, door de magistraten plechtig en beleefd ontvangen. In de straten van Hoorn echter wordt Bossu door de bevolking smadelijk bejegend. Men verwijt hem de moord op de Rotterdamse burgers in 1572 (zie hierboven). Waarschijnlijk zijn er ongeveer 200 Spaansgezinden gevangen genomen, waaronder Spanjaarden, Fransen en Nederlanders. Ook maken de staatsen meer dan 30 kanonnen, veel munitie en verscheidene kostbare voorwerpen buit.
  Het "gevangenhuijs" van Bossu te Hoorn.

Op 13 oktober verzoeken de Staten van het Noorderkwartier, middels een schrijven aan de prins van Oranje, onder andere "om eenich onderstant van penninghen". Dat deze "penninghen" dringend nodig zijn blijkt niet lang daarna als er een oproer onder de scheepslieden uitbreekt. Zij willen meteen worden uitbetaald en bedreigen hun admiraal zelfs met de dood. Nadat er een regeling is getroffen wordt de zaak gesust. Bossu is naar het Hoornse Sint Maria-convent overgebracht (anno 2003: in de Achterstraat) en blijft daar gevangen tot de Pacificatie van Gent in 1576. Later heeft men boven de ingang van zijn verblijfplaats het volgende versje opgesteld:
Anno 1573 men zag,
In October den elfden dag,
Graaf Bossu hier verovert tot Hoorn;
Gevangen in dit Huis hy lag,
Even drie jaren na den slag,
Dien hy op Zuider Zee had verloren.

Elf oktober moet overigens twaalf oktober zijn!

Gouverneur Sonoy draagt alle steden en dorpen van het Noorderkwartier op om een vasten- en bededag te houden om God voor de overwinning te danken. De vlag van het Spaanse admiraalschip wordt ter eeuwige gedachtenis in de "Grote Kerk" te Hoorn opgehangen.
De slag op de Zuiderzee heeft er indirect toe bijgedragen dat de burgers van Haarlem, die Alva na de inneming van die stad gevangen heeft genomen, het leven behouden. Zij worden na verloop van tijd uitgewisseld tegen de Spanjaarden en anderen die in Hoorn gevangen zitten. Als Bossu enige dagen gevangen zit verneemt hij dat degenen die met hun schepen zijn gevlucht hem bij Alva hebben beschuldigd verantwoordelijk te zijn voor de nederlaag op de Zuiderzee. Bossu onderneemt dan met toestemming van gouverneur Sonoy en de Staten van het Noorderkwartier stappen om zijn eer bij de hertog te verdedigen. De geschiedschrijver Hooft schrijft daarover:
Maar Alva was onbekommert met het gevaar van Bossu en zyn gezelschap.
en wilde aanvankelijk:
de Haarlemmers van kant hebben.
en dus van een uitwisseling van gevangenen niets weten.
Volgens geschiedschrijver Van Meerbeeck daarentegen doet Alva veel moeite om Bossu vrij te krijgen:
Ende de Geusen en wilden noyt toelaten, dat men den Grave soude lossen, hoe wel dat den Hertoghe daer groote neerstigheydt toe dede.
Uiteindelijk wordt Bossu en zijn gevolg op 7 november 1576 uitgewisseld tegen Marnix van St. Aldegonde. Via Alkmaar en Delft komt hij onder escorte van Admiraal Cornelis Dircksz op 27 november in Middelburg aan, alwaar zij door de Prins in zijn herberg worden verwelkomd. Op 4 december vertrekt Bossu naar Vlaanderen om vandaar naar Brussel te reizen hebbende den Prince belooft alles goets tot voordele van den Vaderland uijt te richten.

Alva's plan om het noordelijk deel van Holland te onderwerpen is door het mislukte beleg van Alkmaar en de verloren slag op de Zuiderzee verijdeld. Hij bevindt zich tijdens de slag op de Zuiderzee in Amsterdam en is diep teleurgesteld over de afloop. Hij vreest opstootjes onder de bevolking en vertrekt op een morgen voor dag en dauw uit de stad. Er wordt beweerd dat Alva de avond voor zijn vertrek zijn vele schuldeisers heeft laten weten dat zij de volgende dag hun geld bij hem kunnen innen, maar door zijn vroege vertrek kunnen ze naar hun centen fluiten. Niet lang daarna verlaat Alva de Nederlanden. Don Luis Requesens volgt hem als landvoogd op.
 Maximilien de Hénin-Liétard, graaf van Boussu of Bossu (particuliere collectie).

Resumé:
De geuzen winnen uiteindelijk de slag en het lot van Amsterdam is beslist, hoewel de bekrompen regenten van Amsterdam dat pas 5 jaar later, in 1578, willen inzien. Voor Alva is het spel uit. Beladen met schulden, als een dief in de nacht, sluipt hij weg uit Amsterdam. In 1578 gaan Amsterdam en Haarlem over aan Holland en Oranje. Na de bezetting van Staveren in 1581 komt de beheersing van de Zuiderzee voorgoed aan de staatsen. De rest van Holland heeft dan al een voorschot genomen op de bloeitijd.
Als deze slag op de Zuiderzee niet zou zijn gewonnen, dan zou in Alkmaar de victorie niet zijn begonnen en zou de vestiging van de vrije Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden niet zijn doorgegaan. Dit wapenfeit, de overwinning op de Spanjaarden voor de kust van Schellinkhout, is dus voor het welslagen van de opstand en voor onze nationale geschiedenis van beslissende betekenis geweest!
"Van Alkmaar begint de victorie, maar op de Zuiderzee bij Schellinkhout werd die voltooid".

Twee prenten van de slagh van Bossu.

De slag op de Zuiderzee in volle gang. Links Hoorn, uiterst rechts Enkhuizen. Daartussen de kerktorens van Schellinkhout, Wijdenes, Hem en Venhuizen.
(Atlas van Stolk, Rotterdam, nr. 516).


De slag op de Zuiderzee, gezien door de ogen van de kunstenaar Jan Luyken.
(Atlas van Stolk, Rotterdam, nr. 515).

1574
Weegen het Kerkelyke wordt het dorp voorzien van een eige Leeraar.
Het is ene Cornelis (achternaam onbekend) en hij is de eerste (gereformeerde) predikant in het dorp. Hij overlijdt in 1599.

Eén van de twee borden die in de kerk hangen met daarop de namen van de predikanten, die het dorp in de loop der tijd heeft gekend (zie 1989).

1575
Jan Claesz., poorter van Haarlem, betaalt 27 pond voor het schoutambt van Schellinkhout en 12 pond voor dat van Wijdenes.

14 april: Schipper Adriaan Jacobsz. van Purmerend en schipper Adriaan Jansz. van Schellinkhout sluiten een overeenkomst, waarbij zij afspreken dat zij beiden naar Noorwegen zullen varen om daar Noorse goederen aan boord te nemen. Eventuele risico's worden gedeeld. De waarde van de schepen wordt daartoe bepaald op f 2200, per schip. Als één van de schepen vergaat, moet de andere schipper dus f 1100,- betalen.

Hieronder een detail van een wandkaart van Noord-Holland uit 1575 gemaakt door Joost Jansz. Beeldsnijder. De goede reputatie van Beeldsnijder en het feit dat hij in het hardnekkig Spaansgezinde Amsterdam woonachtig is, zal voor de hertog van Alva aanleiding zijn geweest hem te verzoeken een militaire overzichtskaart van het noordelijk gedeelte van Holland en de aangrenzende gebieden te vervaardigen met daarop aangegeven de wirwar van meren, dijken, rivieren en moeilijk begaanbare plaatsen.
De rand om de eigenlijke kaart verheft het stuk tot een wandsierraad, dat weinig meer met de oorspronkelijke militaire bedoelingen ervan te maken heeft. Het wordt in deze periode steeds gebruikelijker om kaarten als wanddecoratie in huis te hebben.
Hoewel de kaart het jaartal 1575 draagt, zijn er alleen maar exemplaren van bekend die op een latere uitgave duiden. Aan de inhoud en stijl van de aanvullingen is te zien dat de kaart enkele decennia later in deze vorm (met sierrand) gepubliceerd moet zijn. Diverse kleinere bedijkingen van na 1575 staan er namelijk op aangegeven.
Uitsluitsel omtrent de datering geeft een complete uitvoering van een kaart met sierrand die in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam wordt bewaard. Op de met tekst en prentjes opgebouwde rand is namelijk ook het volledige impressum van de uitgave te lezen: 'Tot Amsterdam, Ghedruckt by Herman Allertz. Koster van die Nieuwkerck. Anno M.D.C.VIII.' Aangezien de weinige andere exemplaren zonder rand identiek zijn moet 1608 dus het jaar van deze (her)uitgave zijn.
Op deze getekende landkaart van Joost Jansz Beeldsnijder staan bij Schellinkhout al twee watermolens ingetekend. Eén ten oosten en één ten westen van de Opperweg (zie ook 1603, 1604 en 1824). De laatstbedoelde molen betreft de achterste van de twee watermolens, genaamd de "Kleine Molen". Deze "Kleine Molen" is in 1915 afgebroken. Molenaar Jan Beers heeft in de buurt van de plaats waar deze westelijke molen staat ingetekend een aantal delen van een oude halssteen gevonden. Op een halssteen rust en draait de voorkant van de houten as. De achterkant van de as draait in een zogenaamde broeksteen.
  Linksboven staan de twee molens ingetekend (kaart 1575 Joost Jansz. Beeldsnijder).

De "Grote Molen", die meer in de richting van de dijk wordt gebouwd, zien we voor het eerst op een kaart uit 1638.

1576
Akte van 18 mei: Burgemeesters en raden van Schellinchout oorkonden dat Evert Pietersz. en Jan Melisz., kerkmeesters van 1570, en Baert Pietersz., kerkmeester van 1571, hebben verklaard dat zij in 1571 voor 50 guldens een lijfrente hebben verkocht aan Alit Pietersdr. uit Schellinchout, groot 5 guldens, te betalen op 6 mei. Dit geld hebben zij gebruikt om meester Coen van Amsterdam te betalen ten behoeve van het sacramentshuis, toendertijd staande in de kerk (zie 1571).

1578
Akte van 24 oktober: Burgemeesters en raden van Schellinchout oorkonden, dat Evert Pietersz. en Mieus Pietersz., poorters van Schellinchout, hebben verklaard dat in 1572 in de maand oktober soldaten van hopman Vocabel de kerk zijn binnengedrongen en daar de stedekist hebben opengebroken, en de stadsprivileges en andere belangrijke documenten hebben vernield. Verder verklaart Evert Pietersz. dat zich onder de documenten een rentebrief van 340 guldens en 9 penningen hoofdgeld heeft bevonden. Poorter Jan Jansz. Pil bevestigt het voorgaande en verklaart voorts dat de soldaten zijn huis zijn binnengedrongen en de documenten in het vuur hebben gegooid.

1579
Akte van 16 april: Pieter Harmenss. en Dirck van Nuys, schepenen van Hoorn, oorkonden dat Jan Pieterss. Berchout en Jacob Janss. Spranger, kerkmeesters van Hoorn, een oud huis hebben verkocht aan Evert Pieterss. en Jan Corneliss., burgemeesters van Schellinchout. Het koopbedrag, 20 guldens van 40 groten Vlaams, verklaren de kerkmeesters te hebben gebruikt ten behoeve van de reparatie van de kerk in Hoorn (1 pond Vlaams = ca. 2,75 euro).

Akte van 4 augustus: Burgemeesters, schepenen en raden van Schellinchout oorkonden dat Willem Melisz. en Mieus Pietersz., kerkmeesters van Schellinchout, 100 guldens hebben gekocht van Griet Pieters., tegen een lijfrente van 14 guldens van 40 groten Vlaams, te betalen op de laatste dag in mei of tot 8 dagen daarna (1 pond Vlaams = ca. 2,75 euro).

1580
In het hele land worden tot twee keer toe hevige aardschokken gevoeld als gevolg van een aardbeving. Er heerst ook weer eens een pestepidemie.

1581
Onstaan van de Republiek der Verenigde Zeven Provinciën.

Akte van 6 oktober: Burgemeester Jan IJsbrantz. oorkondt dat Pieter Ellertsz., poorter, hem heeft verklaard de Westerblocker molen te hebben zien malen zodat water over de weg kwam lopen, en soms ook van buiten door de sluis is gekomen. Verder heeft hij 's nachts vaak de sluis dichtgedaan omdat water over de weg dreigde te lopen.

1582
Als scheepstimmerman wordt genoemd Jan Claasz. Hij levert voor f 187.10 een crapschuit aan Pieter Baertsz. van Amsterdam.

Als waard wordt genoemd Frans Jansz., de Weert van Schellinkhout. Enige jaren hiervoor verkoopt deze Frans Jansz. aan Reijner Claasz. Gonse "het Roode huijs" en erf, liggende op de sluis in de banne van Schellinkhout. Deze sluis ligt vlakbij de dijk. Mogelijk staat dit rode huis al op de plaats van de latere dorpsherberg aan de Laan.

     
Vier foto's van (een deel van?) de vroegere herberg aan de Laan.
De eerste foto is van omstreeks 1935.
Foto twee is van omstreeks 1985 en de twee kleurenfoto's zijn in 2002 gemaakt (zie 1772).

1584
Als scheepstimmerman wordt genoemd Claas Cornelis, alias Claas Heykesz.

Aan boord van een boeierschip waarvan Sijmon Allertsz. uit Hoorn schipper is, bevinden zich onder andere Frederik Dirksz. van Schellinkhout en Wouter Frederiksz., die in de Jan Heezenboogaard buiten de stad Hoorn woont.
Op de terugreis naar Holland vertelt de schipper aan laatstgenoemde dat hij in de haven van Hableneuff heeft gezien dat een plank in de kiel ongeveer een duim breed van de andere planken is geweken. Wouter Frederiksz. zegt dat als hij dat had geweten, hij niet was mee gegaan. De schipper belooft dicht langs de kust te varen. Dat is maar goed ook, want de volgende avond zinkt het schip in de buurt van de haven van Boulogne. De bemanning gaat in de sloepen en roeit de hele nacht tot zij de volgende morgen in Calais aankomen. Vandaar reizen ze weer terug naar Amsterdam.

1585 - 1602
Uit het tolregister van Elbing (Oostzeegebied) blijkt dat er in deze periode door een drietal Schellinkhouter schippers op Elbing wordt gevaren. Er worden vlaamse haring en zandstenen naartoe gebracht, terwijl er rogge, tarwe, gerst en pek mee wordt teruggenomen.

1589
Akte van 15 oktober: Jan Jacobss. en Reijer Claess., schepenen van Westewoude, oorkonden dat Arent Baertss., wonende op Munckij, aan kerk en armen van Schellinchout 1 morgen en 150 roeden land heeft verkocht, gelegen in de ban van Westerblocker in Munckijer Weere, belendend zowel ten noorden als ten zuiden aan Maerten Harckss.

Uit het trouwregister van Enkhuizen:
Daer is een eecht verkondich tusken
26 Nov. Jacop Foppesz. van Schellinkhout ende vrou Cornelisz. woende op de Carmelcksluis.

Dirk Albertsz. Raven wordt in 1589 of 1590 geboren. Hij overlijdt na 1639. Hij is schipper te Hoorn en wordt later commandeur bij de walvisvaart. Naar hem is de Ravenstraat genoemd. Raven vaart in dienst van de "E. Heeren Bewindthebbers van de Groenlantse Compagnie tot Hoorn". In zijn functie van kapitein maakt hij voornamelijk reizen naar Spitsbergen (zie 1639).

ca. 1590 - ca. 1620
Gouden tijd voor West-Friesland. Hoorn en Enkhuizen zijn zeer belangrijke steden.

1590
De waag hangt in het raadhuis.

Schellinkhout heeft nog een katholieke secretaris (zie 1573).

In een notariële akte van 14 maart 1590 worden de volgende erfgoederen genoemd:
"1 1/2 honderd 25 roeden saetlandts in den banne van Schellinckhoudt aende Wymaers."

De straatweg van Hoorn naar Enkhuizen komt gereed.

1592
Omdat er de afgelopen eeuw land moest worden prijsgegeven aan de zee, telt Schellinkhout nog maar 660 morgens.

In een Enquête wordt op verzoek van de Gecommitteerde (=toezichthoudende) Raden als getuige door Henricus Dirksz. Zeevangh, notaris bij den Hove, gehoord: "Pieter Jansz. Steenhuys te Scellinckhout, oud zijnde 82 jaer."
Deze Pieter Jansz. woont in de Steenen kamer (zie ook 1603 en 1985) en wordt op 7 augustus 1592 als getuige gehoord:
"Pieter Jansz. Steenhuys van Scellinckhout, oud 82 jaar, heeft door verzoek der Gecommitteerde Raden verklaart, dat bij zijn leven zijn afgespoeld tusschen de 40 á 50 morgen van den Nek en de buitendijkslanden. En dat de zeedijken bij zijn leven zoo laag zijn geweest, dat die melksters, gaande met de emmers op hare hoofden te melken binnensdijks en, de anderen buitendijks gaande, de emmers der melksters bekwaam konden zien, gaande en sprekende met de anderen;
bovendien dat dezelve zeedijk in zijn jeugd zoo smal is geweest, dat wanneer wagens elkaar ontmoeten, niet konden wijken, ten ware op sommige plaatsen of hoeken, alwaar de eene wagen de andere moest wachten. Verklaart insgelijks, dat die inlaag beginnende van Schellinkhout tot Wijdenes bij zijn moeders tijden is gedaan en dat Moles, wezende een stuk land zijne moeder toebehorende, waarop gehouden zes koeien en waarvan 24 rooken hooi gehaald waren, welke buitenlanden tegenwoordig gansch door 't zeewater weggespoeld en in bare zee veranderd".
Hij verklaart ook dat hij vroeger voor zijn vader zand haalde van het oude kerkhof van Wijdenes, dat toen buitendijks lag, om de zeinen mee te slijpen.
....die inlaag beginnende van Schellinkhout tot Wijdenes bij zijn moeders tijden is gedaan.... verklaart dus de 82-jarige Pieter Jansz. Steenhuys. Dat betekent dat de inlaagdijk tussen de Appelhorn (Appelhoek) en de Nekhorn (de Nek) tijdens het leven van zijn moeder is gemaakt. Claas Nanningsz dateert deze inlaagdijk op omstreeks 1482, omdat uit dat jaar een handvest van de opperdijkgraaf van Drechterland, Filips van Wassenaar, dateert waarin wordt vastgelegd dat elk dorp bij een inlaag zijn dijk moet blijven onderhouden, ook al wordt deze langer of korter.
Verder verklaart Pieter Jansz. Steenhuys dat ....bij zijn leven zijn afgespoeld tusschen de 40 á 50 morgen van den Nek en de buitendijkslanden.... Dit voorland ligt ten westen van de Nekhorn: de Zuideruiterdijkslanden, die vanouds van een "caydijck" (kadijk) is voorzien. Omstreeks 1609 besluiten de ingelanden echter het onderhoud aan deze kadijk te staken. Daarvóór is al een flink gedeelte van het buitendijkse land weggespoeld. Pieter Jansz. Steenhuys verklaart in 1592 (zie hierboven) dat tijdens zijn leven 40 á 50 morgen zijn weggespoeld. Dit proces gaat na 1609, na het staken van het onderhoud aan de kadijk, versneld door. In de dertiger jaren van de 17e eeuw verdwijnt er nog eens 30 á 40 morgen in de golven, waarop eertijts plach te staen 't gerecht ofte galge van den Admiraliteyt. Oorspronkelijk strekken de Zuideruiterdijkslanden zover in zee dat zij de Schellinkhouter Uiterdijk of de Schellinkhouter Noord (ten westen van het dorp gelegen) bijna raken. Men kan via een plank van het ene naar het andere land gaan. Er bestaat ooit een vaste verbinding, die het zogenaamde Schellinckhoutermeyr (Schellinkhoutermeer) van de Zuiderzee afsluit. In het Schellinkhoutermeer ligt een eilandje genaamd "'t Menneske". Daarop kunnen wel zes koeien grazen.
De bedoelde situatie moeten we ons als volgt voorstellen. De Schellinkhouter Uiterdijk strekt zich veel zuidelijker uit dat nu het geval is. De gehele inham bij Schellinkhout is oorspronkelijk land, al dan niet binnendijks, maar in ieder geval omkaad. De dijk Nekhorn-Appelhorn ligt zuidelijker en wellicht geldt dat voor het hele gebied.
Een morgen (circa 0,8 ha) is 600 roeden en 1 roede is 10 meter. Een "inlaag" is een inlaagdijk. Dit is een dijk die aangelegd wordt achter een dijkvak, waarvan men vreest die niet lang meer te kunnen houden en die men met beide einden aan de oude dijk aansluit.

Aan de hand van beschikbare teksten is geprobeerd om de vroegere situatie te reconstrueren.

1593
5 februari:
De regenten zijn:
schout: Sijvert Jorisz de Vries;
burgemeester: Jan Klaasz;
schepenen: Meindert Willemsz, Kornelis Maartensz, Klaas Jansz (alias Hansz) en Zeger Pietersz.

14 juli:
Jan Jakobsz en Klaas Jansz zijn schepen.

18 juli:
Brant Klaasz is schepen.

Akte van 4 december: Burgemeesters en raden van Schellinchout oorkonden dat zij het getimmerte van een huis hebben overgedragen aan de pastorie, staande op de pastoriewerf, belendend ten noorden aan Pieter Jansz. Gietermaecker en ten zuiden aan de kerk. Daarvoor in ruil hebben zij een pastoriehuis ontvangen, staande op "des costers camp".

Eind 16-de eeuw. De eerste Schellinkhouter schippers passeren de Sont, richting de Oostzee. Onder andere blijkt dit uit de Sonttoltabellen, waarin men per plaats het aantal schippers vermeld vindt, dat de Sont in oost- of westwaartse richting passeert. In deze zeeëngte moet in Elseneur tol worden betaald.
Enkele Schellinkhouters nemen deel aan ontdekkingsreizen: Jan Cornelisz. May, Jan Jacobsz. May, Dirk Albertsz. Raven.

1593 - 1600
Uit het tolregister van Koningsbergen blijkt dat er in deze periode door Schellinkhouter schippers zout en vlaamse haring naar Koningsbergen worden gebracht, terwijl men die haven verlaat met osse- en koeienhuiden, hout en rogge aan boord.

1594
16 januari:
Klaas Willemsz en Pieter Wouterz zijn schepen.

1595
21 augustus:
Brant Hermansz en Jan Kornelisz Zwaags zijn schepen.
30 augustus:
Wigger Willemsz is schepen.

In maart 1998 moet de vloer van het waterbassin van de molen/het gemaal waterdicht gemaakt worden. Tijdens deze werkzaamheden ontdekt men op deze vloer een (natuur-) steen waarin het jaartal 1595 is aangebracht. Het jaartal is definitief verdwenen, omdat de bodem van de kolk met beton wordt afgedekt.

           

Op de laatste twee foto's is de gemetselde kokersluis (met gave houten vloerdelen) te zien, die vanaf de molen onder de dijk door naar de "tocht" loopt (open verbinding met het IJsselmeer). Aan het einde van de tweede wereldoorlog, in november 1944, valt Dirk Walkeuter (geboren 25 januari 1889; overleden 23 november 1944) 's winters in het water van de molenkolk en verdrinkt. Zijn stoffelijk overschot belandt via de kokersluis buitendijks in de molensloot waar het de volgende dag wordt gevonden.

1596
1 februari:
Klaas Willemsz en Ellert Evertsz zijn schepen.

De schipper Claas Pieterz. Haan sluit een bevrachtingscontract met een koopman om met zijn 80 last (= 2 ton) metende "de Vos" zout en andere waren van Lissabon naar Amsterdam te brengen.
Een bevrachtingscontract is een geschreven contract met een eigen tekst, gesloten tussen een bevrachter (of bevrachters) en een schipper. De partijen onmoeten elkaar meestal op de beurs, waarbij een makelaar tussen de partijen bemiddelt.

1597
11 augustus:
Jan IJsbrandsz en Meindert Willemsz zijn schepen.
Jan Jacopsz is waert in de roede muellen (herbergier in de rode molen).

1598
10 februari:
Jan Jaep Jan Piets is schepen.

9 juli:
Hein Gerritsz is schepen.

19 december:
Klaas Willemsz en Klaas Heikesz zijn schepen.
De secretaris is Willem Gerritsz.

Jan Cornelisz May van Schellickhout zeilt als "Capteyn" naar Indië.

1598 - 1698
Er zijn uit deze periode 81 bevrachtingscontracten met Schellinkhouter schippers te vinden. Soms is uit de naam van het schip al op te maken dat het een schip uit Schellinkhout betreft:
"de Pauw van Schellinkhout" van schipper Volkert Dirksz., "de Schellinkhouter kerk" van schipper Jan Cornelisz. en "de Schellinkhout" van dezelfde schipper.

1600
De predikant mr. Cornelis, die in 1599 is overleden, wordt opgevolgd door Cornelis Jansz. Laatstgenoemde blijft predikant tot zijn dood in 1625.

  De kop van een plakkaat uit circa 1600.

Het tonnage van een schip bedraagt gemiddeld omstreeks 100 last (1 last = 2 ton).

___________________

naar begin van deze pagina
naar de eerstvolgende periode
terug naar de basispagina (home)

 G. Kazimier.

Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op (maand / dag / jaar / tijdstip) :